Op zoek naar woonruimte

Mijn jongste kind is net geboren als zijn vader en ik uit elkaar gaan. Scheiden is extra heftig als er kinderen in het spel zijn. Voor hen wil je een stabiele basis, er verandert immers al zo veel.

‘U kunt zich melden bij de daklozenopvang.’ De mevrouw aan de andere kant van de balie was resoluut: geen urgentie voor een gescheiden moeder met drie jonge kinderen. Ik dacht dat ze een grapje maakte. Dat was niet zo. Als ik geen woonruimte kon vinden, was dit de optie. Of een kartonnen doos.

Na mijn scheiding
moesten ex en ik ons huis verkopen. Het was in de tijd dat veel huizen onder water stonden. Zo ook het onze. Gelukkig diende zich snel een koper aan en om niet te blijven zitten met een restschuld van tienduizenden euro’s, ging ik akkoord met de eis van de koper: binnen zes weken het pand verlaten. Ex woonde toen al ergens anders. Ik moest halsoverkop op zoek naar een nieuw onderkomen.  

Als ik nog niet depressief was, werd ik het wel van mijn moedeloze zoektocht naar een dak boven ons hoofd. Acht inschrijfjaren waren niet genoeg voor een huurwoning in de regio en kopen kon ik niet. Ik was net voor mezelf begonnen en moest van drie achtereenvolgende jaren (positieve) jaarcijfers overleggen. Pas dan kwam ik in aanmerking te komen voor een hypotheek. De enige mogelijk was een caravan op Camping Treurwilg.

Alsof ik nog niet treurig genoeg was. Ik heb me nog nooit zo down gevoeld als op dat moment. Vier jaar had ik geknokt voor het geluk van mijn kinderen en waar eindigde ik? Tussen vier polyester muren naast twee bouwvakkers die de slogan ‘drink met mate’ hadden vertaald naar ‘drink met je maten’, gezien de enorme hoeveelheid lege kratten bier rondom hun woonwagen.

Met lood in mijn schoenen vertelde ik mijn ouders dat ik in een sleurhut ging wonen. Het was dat of een bankje onder een brug. Dit was nog tien keer erger dan moeten vertellen dat mijn relatie niet gelukt was. Hun slimme, goedopgeleide, zelfstandige dochter had er een potje van gemaakt, zo voelde ik het. En die arme kinderen… Ik worstelde met een flinke dosis schuldgevoel. Had ik dit niet zelf gewild? Ik had ook in loondienst kunnen blijven. Had ik dan wél een huis kunnen krijgen?

Eigen schuld, dikke bult, zouden mijn ouders zeggen. Ik voelde me weer dat meisje van vijftien dat niet geleerd had voor een proefwerk. Maar ze stuurden me niet naar mijn kamer zoals ik verwachtte (wat in dit geval wel een mooie oplossing zou zijn geweest). In plaats daarvan zeiden ze dat het allemaal goed zou komen.

Je kunt je vast voorstellen hoe fijn het was om dat te horen. Al kon ik op dat moment niet bedenken hoe, maar als mijn vader zei dat het goedkwam, dan was dat zo. En dat was een enorme geruststelling. Mijn ouders zouden me helpen bij het krijgen van een hypotheek en dan kon ik een huis kopen. De boodschap die hij me meegaf was voor mij nog het meest waardevol: wij zijn je ouders, dus wij steunen je, wat er ook gebeurt. Ik hoop dat het nooit nodig is, maar mochten mijn kinderen er net zo’n zooitje van maken als ik, dan ben ik er voor ze.

Een week heb ik bij mijn ouders gelogeerd, toen verhuisde ik naar mijn nieuwe stek. Nu wonen we in een ontzettend leuk huis in een kinderrijke buurt, vlakbij de school van mijn jongste en met een geweldige tuin. En het allerfijnste: het is van míj en we hoeven er nooit meer weg. Tenzij ik de hypotheek niet betaal natuurlijk, maar zover laat ik het echt niet komen. Als mijn vader komt en de kinderen in de tuin ziet banjeren straalt hij. ‘Dit is toch een stuk beter dan die caravan’, grapt hij dan. We hebben weer een thuis en daar ben ik mijn ouders eeuwig dankbaar voor.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *